Blog

De ellende in Brazilië (2)

by Mari Smits

In 1910 reisde Gerardus Kuyk, die kolonist was geweest in João Pinheiro in Minas Gerais, door de staat Paraná om zich daar op de hoogte te stellen van de ellendige toestand waarin de Nederlandse landverhuizers verkeerden. Na een bezoek aan Nederlandse gezinnen in de kolonie Miguel Calmon – niet te verwarren met de plaats Calmon in Santa Catarina – bezocht hij Ipiranga en Ponta Grossa. Na Ponta Grossa ging hij naar Gonçalves Juniór, waar hij zich uitgebreid op de hoogte stelde van de misstanden aldaar. Kuyk rapporteerde zijn bevindingen aan de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro, G.D. Advocaat. In dit eerste deel van zijn verslag beschrijft hij de toestand in de kolonie Tago bij Ipiranga, ongeveer 55 kilometer ten westen van Ponta Grossa.

“Op mijn terugtocht van Calmon naar Ponta Grossa ben ik vier dagen in Ipyranga gebleven. De voorman, welke mij wegbracht, had nog geene lading toen wij in Ipyranga aankwamen. Toch is mij dit oponthoud zeer gelegen gekomen, aangezien ik gelegenheid kreeg om kennis te nemen van den toestand der kolonisten, welke in Ipyranga verblijf hielden. De toestand der in de barakken verblijf houdende kolonisten in genoemde plaats is meer dan treurig. De huizen in de kolonie Tago zijn nog geen van allen gereed, integendeel, men is pas aangevangen te bouwen. De gezondheidstoestand is ellendig in de krotten die als verblijfsplaatsen der kolonisten dienst doen. Barakken noemt men ze. De menschen moeten zich te slapen leggen op den vloer, de wanden dezer krotten zijn van vele naden voorzien, door enkele waarvan men zijne hand kan doorsteken.

Een dokter is in Ipyranga, dat toch reeds een tamelijk flinke plaats is, niet. Eens in de twee weken komt de dokter uit de kolonie Miguel Calmon (een afstand van 33 km) doch in dien tusschentijd moeten de zieken ‘t maar zonder dokter stellen. De apotheker fungeert dan als zoodanig. Van een Hollander is een kindje gestorven, van een Duitscher enveneens, en dat is in hoofdzaak door ‘t gemis aan geneeskundige behandeling. Eene Duitsche vrouw viel toen zij uit een wagen wilde stappen en brak haar arm. De apotheker heeft den arm verbonden, wie weet wat er nog terecht komt.

In Ipyranga wordt aan gezinnen, welke meer dan drie personen boven 7 jaar tellen, 450 reis per dag en per persoon uitgereikt. Zaden krijgt men ook daar zeer onvoldoende, 20 liters aardappelen en eenige liters mais en boonen.

Ik woonde zondag den 13 februari eene bijeenkomst van Duitsche kolonisten in Ipyranga bij. De vergadering werd gepresideerd door een Duitschen onderwijzer die in samenwerking met de bijeen gekomenen eene school wilde stichten. Voorloopig zou in Ipyranga een huis als school worden ingericht om later wanneer de huizen in de kolonie gereed zouden zijn, daar definitief te worden gevestigd. Door den onderwijzer zou een verzoek om subsidie aan de Duitsche regeering worden gericht, wijl volgens hem de Duitsche regeering de Duitsche scholen in Brazilie met geldelijke toelagen steunt. De voorwaarde waaronder ieder kind ter school kan gaan zijn: zelf aanschaffen van leermiddelen en twee milreis per kind en per maand schoolgeld. Zoo de ouders eventueel niet bij machte zouden zijn het schoolgeld baar te betalen, dan zou de onderwijzer genoegen nemen met de ontvangst van het bedrag in natura. Voorloopig zou hij bij het onderwijs de Duitsche taal bezigen, maar wanneer hij zelf voldoende Portugeesch zou kennen, dan zou hij ook in het Portugeesch onderricht geven. Of men het plan zal kunnen of willen doorzetten weet ik niet. Ik betwijfel het, omdat de kolonisten door de slechte toestanden in de kolonie weinig aan de plaats gebonden zijn. Een paar Duitsche families zijn reeds uit Ipyranga vertrokken, meerdere zullen m.i. volgen.

De Braziliaansche school te Ipyranga is niet veel waard. Gedurende een paar uren per dag wordt het onderricht gegeven door de vrouw van de secretaris die zich evenwel meer met haar baby dan met de leerlingen bemoeit.

De onderdirecteur of ‘sucarregado’ Goncalves Jr. zoals hij zichzelf teekent, is weinig bemind bij de kolonisten. Voor een paar jaren geleden was deze man volgens getuigenis van inwoners van Ipyranga, straatarm, thans is het een van de gegoeden van de plaats. Dezen vooruitgang zal zijn traktement hem niet aangebracht hebben. De vrouwen hebben steeds de uiterste moeite busjes melk van hem los te krijgen voor hare kinderen.

Na mij van deze treurige toestanden op de hoogte te hebben gesteld vertrok ik naar Ponta Grossa. De reis van Miguel Calmon naar Ponta Grossa duurde door het oponthoud te Ipyranga 7 dagen. De wegen waren met droog weer goed, maar wanneer het regent kunnen de paarden den wagen nauwelijks langs den gladden, rijzenden en dalenden weg voorttrekken. In Ponta Grossa ben ik twee en een halven dag geweest. Ik ben niet naar de barak gegaan om te probeeren voor rekening der regeering naar Goncalves Jr. getransporteerd te worden. Ik wilde mijn neus niet stooten bij den directeur der barak, Snr Amantino Varga. Wij hebben wederkeerig erg veel te grooten haat tegen elkander, zoodat ik stellig niet op hulp van Snr Amantino behoefde te rekenen.”

Bron: Nationaal Archief (Den Haag), archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, A-dossiers, 2.05.03, no. 291.

Dit artikel heb ik eerder gepubliceerd op Holambra.nl. Meer informatie over het verhaal van de honderdduizenden Nederlanders die de afgelopen twee eeuwen overzee een nieuw bestaan hebben gezocht kun je vinden op de Facebook pagina Landverhuizers. De pagina is een initiatief van Tulipana, een programma dat zich inzet voor het veiligstellen van bedreigd erfgoed van Nederlandse emigranten. Tulipana is een initatief van het Centre for Global Heritage and Development.